Home Actueel Actueel Dekkingsgraad achtergrondinformatie
Dekkingsgraad achtergrondinformatie Afdrukken E-mail
woensdag, 06 oktober 2010 12:30

Dekkingsgraad, sterftekansen, renteschommelingen….

Wat betekent het en hoe werkt het eigenlijk?

Momenteel zijn de pensioenfondsen bijna dagelijks in het nieuws: “Dekkingsgraden pensioenfondsen verder onderuit door hogere levensverwachtingen”, “14 pensioenfondsen moeten pensioenen korten van minister Donner”, “Lage rente zorgt voor problemen bij pensioenfondsen”. Het is duidelijk dat de pensioenfondsen er financieel niet zo rooskleurig voor staan. Maar hoe weten en meten we dat eigenlijk, wat is nou precies een dekkingsgraad en hoe wordt die berekend? Hieronder leggen we dit uit. Ook gaan we nader in op de ontwikkelingen die zorgen voor de bewegingen in de dekkingsgraad.

Balans en dekkingsgraad

Een pensioenfonds is eigenlijk vergelijkbaar met een beleggingsinstelling. Er komen premies binnen, die worden belegd en op den duur worden er pensioenen uitgekeerd. Een pensioenfonds heeft bezittingen en verplichtingen. De bezittingen zijn de beleggingen (vermogen) en de verplichtingen zijn de pensioenen die nu en in de toekomst moeten worden uitgekeerd. Deze verplichtingen samen noemen we de technische voorziening. Zijn de beleggingen meer waard dan de technische voorziening, is er sprake van een reserve. Een eenvoudige balans van een pensioenfonds kan er als volgt uitzien:

De dekkingsgraad wordt berekend door het vermogen te delen door de technische voorziening. In bovenstaande situatie is de dekkingsgraad (120/100) = 120%.

Evenwichtssituatie

In de (gewenste) evenwichtsituatie verandert de dekkingsgraad nauwelijks. Omdat er ieder jaar pensioenen worden opgebouwd stijgt de technische voorziening. Daarvoor ontvangt het pensioenfonds premie, die wordt belegd en samen met de behaalde rendementen zorgt die voor vermogensgroei. Ook worden er pensioenen uitgekeerd, waardoor er financiële middelen uit het pensioenfonds wegvloeien, maar daar staat dan een afname van de technische voorziening tegenover.

Kredietcrisis

In 2008 zorgde de kredietcrisis voor een verstoring van de evenwichtssituatie. Doordat de aandelenbeurzen fors onderuit gingen, slonken de vermogens van de pensioenfondsen aanzienlijk. De verplichtingen bleven echter op hetzelfde niveau. De balans van het pensioenfonds kan er dan opeens als volgt uit komen te zien.

tabel_kredietcrisis

De dekkingsgraad is door de vermogensafname gedaald van 120% naar (100/100) = 100%.

Rente en levensverwachting

In bovenstaand voorbeeld is het evenwicht verstoord door ontwikkelingen die effect hadden op de linkerzijde van de balans (activa). De huidige problemen worden echter met name veroorzaakt door ontwikkelingen die effect hebben op de rechterzijde van de balans (passiva). Om dit te kunnen verduidelijken kijken we eerst naar de berekening van de hoogte van de technische voorziening.

Zoals eerder vermeld wordt de technische voorziening gevormd door de verplichtingen van het pensioenfonds, ofwel de waarde van de nu en in de toekomst uit te keren pensioenen. Om de toekomstige pensioenen te waarderen naar de stand van nu, maken we gebruik van twee elementen, rente en levensverwachting. Een eenvoudig voorbeeld laat zien hoe dit in zijn werk gaat:

  1. rente
    Om over 1 jaar € 1.000 te kunnen uitkeren, moeten we nu een bedrag reserveren dat lager is dan € 1.000. Hoeveel lager is afhankelijk van de rente die we voor dat bedrag krijgen. Bij een rente van 5% hoeven we maar ca. € 952 op een spaarrekening te zetten. Als de rente 3% bedraagt, hebben we nu al ca. € 971 nodig[1]. Dit heet contant maken. Hoe lager de rente, hoe hoger het bedrag dat je nu in kas moet hebben; ofwel hoe hoger de technische voorziening.
  2. levensverwachting
    Pensioenen worden niet eenmaal, maar jaarlijks uitgekeerd. Al deze uitkeringen worden met behulp van de rente contant gemaakt. Hoeveel jaarlijkse uitkeringen er gedaan moeten worden, is afhankelijk van de levensverwachting. Als de levensverwachting met één jaar toeneemt, moet er dus een jaar langer uitgekeerd worden. Hierdoor stijgt het bedrag dat je nu in kas moet hebben en dus stijgt de technische voorziening.

Tot 2007 maakten pensioenfondsen gebruik van een vaste rente van 4% om de hoogte van de technische voorziening te berekenen. Hierdoor was de ontwikkeling van de technische voorziening stabiel en voorspelbaar. Vanaf 2007 zijn pensioenfondsen echter verplicht om de marktrente te hanteren. Dit heeft tot gevolg dat de technische voorziening aan veel meer schommelingen blootstaat.

Bij een dalende rente en/of een stijgende levensverwachting kan de balans van het voorbeeldpensioenfonds het volgende laten zien:

tabel_dalenderentes

De dekkingsgraad is door de rentedaling en de gestegen levensverwachting gedaald van 120% naar (120/120) = 100%.

Situatie SPD 2010

In 2010 is er sprake van een dalende rente. De rendementen op de aandelenbeurzen zijn positief, maar kunnen de effecten van de lage rente niet compenseren. Bovendien zijn de levensverwachtingen fors toegenomen. Dit betekent dat het herstel van 2009 teniet is gedaan en dat de dekkingsgraad in 2010 is weggezakt naar het niveau van het dieptepunt van de kredietcrisis begin 2009. Onderstaand een overzicht van de ontwikkeling van de dekkingsgraad.

grafiek_jan_11

En nu?

De Nederlandsche Bank ( DNB) eist dat pensioenfondsen een minimale dekkingsgraad hebben van (de veel in de media genoemde) ca. 105%. De exacte vereiste dekkingsgraad van SPD bedraagt 104,1%. Deze moet van DNB eind 2013 zijn bereikt. In de eerste maanden van 2011 vindt er een belangrijke evaluatie van de financiële positie plaats. Als dan blijkt dat het pensioenfonds SPD met ongewijzigd beleid niet in staat is om de minimale dekkingsgraad eind 2013 te bereiken, moet het bestuur aanvullende maatregelen treffen. Met een dekkingsgraad van 100,1% ultimo december 2010 lijken aanvullende maatregelen echter niet nodig. DNB zal hierover een officiële uitspraak doen in de eerste maanden van 2011.

Het bestuur houdt u zoveel mogelijk op de hoogte van de ontwikkelingen. Houdt daarvoor onze website in de gaten.

[1] € 952 x 1,05 = € 999,60, € 971 x 1,03 = € 1.000,13.